variabalen

numeriek

In ons programma willen we gebruik maken van waarden die tijdens en door het programma aangepast worden. Daarvoor hebben we variabelen nodig. Afhankelijk van welke waarden we wensen op te slaan bestaan variabelen in verschillende types.

  • Een byte neemt 1 byte geheugen in beslag en kan waarden van 0 tot en met 255 opslaan.
  • Voor grotere gehele waarden kunnen we een integer gebruiken. Deze beslaat 2 geheugenbytes maar kan in de signed versie waarden opslaan van -32.768 tot +32.767, en in unsigned versie waarden van 0 tot en met 65.537.
  • Als dit nog niet genoeg zou zijn kunnen we een variabele van het type long gebruiken. Deze neemt 4 byte geheugen in, maar kan signed lopen van -2.147.483.648 tot en met +2.147.483.647. De unsigned versie heeft een bereik van 0 tot en met 4.294.967.295.
  • Wanneer we kommagetallen nodig hebben maken we gebruik van de types float en double. Deze komen overeen met single precision floating point en double precision floating point getallen, zoals gezien in het vak digitale elektronica.

Bewerkingen uitvoeren gaat veel gemakkelijker en sneller met gehele getallen. Bij kommagetallen zal je zien dat je programma veel trager werkt.

alfanumeriek

We moeten ook tekst als een variabele kunnen opslaan. Daarvoor hebben we type char wanneer we slechts één karakter moeten opslaan of string wanneer het om woorden of zinnen gaat.

Om een waarde toe te kennen aan een variabele van het type char kunnen we het teken tussen enkele aanhalingstekens plaatsen, of de waarde van de ASCII code toekennen.

Bij een string is de lengte variabel. De tekst van de string wordt afgesloten met een null-teken. Daardoor beslaat een string in het geheugen 1 byte meer dan er karakters zijn in de string.

Er kunnen ook reeksen van variabelen gedefinieerd worden. De reeksen zijn zero-indexed, dus het eerste element van de reeks heeft als index 0. Bij de definitie worden na de variabelenaam vierkante haakjes geplaatst, of worden de elementen opgesomd tussen accolades.